Ord. 4, art. 6 1. Elke gemeente heeft een kerkenraad.
2. De kerkenraad wordt gevormd door de ambtsdragers van de gemeente.
3. Met het oog op de vervulling van de door de kerkenraad te verrichten taken stelt de kerkenraad het aantal ambtsdragers vast met dien verstande dat in de kerkenraad alle ambten aanwezig zijn en wel naast de predikant ten minste twee ouderlingen die niet tevens kerkrentmeester zijn, twee ouderlingen die tevens kerkrentmeester zijn en drie diakenen.
4. In een gemeente met minder dan 300 leden kan de kerkenraad een kleiner aantal ambtsdragers vaststellen, met dien verstande dat alle ambten aanwezig zijn en in de plaatselijke regeling – met medewerking en goedvinden van het breed moderamen van de classicale vergadering, na in daarvoor in aanmerking komende gevallen de evangelisch-lutherse synode te hebben gehoord – is voorzien op welke wijze de in de ordinanties genoemde taken worden verricht.
5. Wanneer de helft van het aantal ambtsdragers ontbreekt of buiten functie is, bepaalt het breed moderamen van de classicale vergadering na overleg met de nog functionerende ambtsdragers en na in daarvoor in aanmerking komende gevallen de evangelisch-lutherse synode te hebben gehoord, op welke wijze de in de ordinanties genoemde taken kunnen worden verricht.
6. De kerkenraad kan bepalen dat en in hoeverre zij die in de gemeente in een bediening zijn gesteld, als adviseur aan de vergaderingen van de kerkenraad deelnemen.
7. De kerkenraad kan predikanten die met bijzondere opdracht aan de gemeente verbonden zijn en dienstdoende predikanten die lid zijn van de gemeente benoemen tot lid van de kerkenraad.
§ 1. Samenstelling van de wijkkerkenraad
Artikelen plaatselijke regeling
1.1. Algemeen
De wijkkerkenraad bestaat uit de volgende ambtsdragers: wijkkerkenraad PKA-O | ambten | Per sectie=kerk | Totaal |
| Predikanten/ kerkelijk werker | Eltheto 1 Muider 2 | 3 |
| Ouderlingen | Eltheto 3 Muider 5 | 8 |
| ouderlingen-kerkrentmeesters | Eltheto 1 Muider 2 | 3 |
| Diakenen | Eltheto 4 Muider 1 | 5 |
| Totaal | Eltheto 9 Muider 10 | 19 |
Dit is de huidige samenstelling. De wijkkerkenraad kan besluiten tot een andere samenstelling. Hierbij dient men zich wel te houden aan de kerkorde die voorschrijft dat er in een wijkkerkenraad minimaal moeten zijn: | Ambten | |
| Predikant | 1 |
| Ouderlingen | 2 |
| Ouderlingen-kerkrentmeesters | 2 |
| Diakenen | 3 |
| Totaal | 8 |
1.2 Kerkenraad met werkgroepen
Ordinantietekst:
Ord. 4, art. 10. De kerkenraad met werkgroepen 1. De kerkenraad kan onder behoud van zijn uiteindelijke verantwoordelijkheid een deel van zijn taak toevertrouwen aan zijn breed moderamen, hierna te noemen de kleine kerkenraad, met een aantal door hem in te stellen werkgroepen, hierna te noemen sectieteams en taakgroepen.
2. De kerkenraad, waarvan alle ambtsdragers deel uitmaken, komt in afwijking van het in artikel 8-1 bepaalde ten minste vier maal per jaar bijeen ter vaststelling van het algemene beleid.
3. De kleine kerkenraad wordt gevormd door het moderamen van de kerkenraad, de predikanten en een aantal ouderlingen en diakenen die in de regel tevens deel uitmaken van een sectieteam of taakgroep.
4. Elk sectieteam en elke taakgroep bestaat uit een of meer ambtsdragers van wie er ten minste één lid is van de kleine kerkenraad, alsmede uit een aantal andere leden van de gemeente.
5. Een sectieteam werkt ten behoeve van een geografisch begrensd deel van de gemeente dan wel een bepaalde groep gemeenteleden; een taakgroep legt zich toe op het verrichten van een bepaalde taak in de gemeente.
6. De kleine kerkenraad, de sectieteams en de taakgroepen werken binnen het beleid van de kerkenraad inzake het gehele leven en werken van de gemeente.
7. De verdeling van taken en bevoegdheden over enerzijds de kerkenraad en anderzijds de kleine kerkenraad, de sectieteams en de taakgroepen wordt aangegeven in een door de kerkenraad na overleg met de kleine kerkenraad, de sectieteams en de taakgroepen vast te stellen regeling met dien verstande dat:
- aan de kerkenraad wordt toevertrouwd:
- de algemene leiding aan de opbouw van de gemeente in de wereld;
- de zorg voor de dienst van Woord en sacramenten;
- het nemen van de besluiten als genoemd in artikel 8-7;
- het vaststellen van het beleidsplan ter zake van het leven en werken van de gemeente;
- het vaststellingen van de begrotingen en jaarrekeningen;
- het beroepen van de predikanten en het leiding geven aan de daaraan voorafgaande verkiezing;
- het leiding geven aan de verkiezing van de ouderlingen en de diakenen als bedoeld in ordinantie 3-6 en de benoeming van de kerkrentmeesters die geen ouderling zijn, met dien verstande dat de kerkenraad van geval tot geval de uitvoering van deze taak kan opdragen aan de kleine kerkenraad;
- het opzicht over de leden van de gemeente voorzover dat door de orde van de kerk is opgedragen aan de kerkenraad;
- het aanwijzen van de afgevaardigden naar de classicale vergadering;
- het vaststellen van de plaatselijke regelingen als bedoeld in artikel 7-2;
- aan de kleine kerkenraad wordt toevertrouwd:
- het toetsen van het werk van de sectieteams en de taakgroepen aan het door de kerkenraad vastgestelde beleidsplan;
- de instelling van de sectieteams en de taakgroepen en de benoeming van de leden daarvan;
- het vaststellen van de instructies van de sectieteams en de taakgroepen.
8. In dit artikel kan in plaats van kerkenraad ook wijkkerkenraad of algemene kerkenraad worden gelezen met inachtneming van het in artikel 9-4 bepaalde ten aanzien van de verhouding tussen de algemene kerkenraad en de wijkkerkenraden.
1.2 Kerkenraad met werkgroepen Artikelen plaatselijke regeling
De kleine wijkkerkenraad bestaat uit de volgende ambtsdragers: | ambten | |
| Moderamen | 3 |
| overige predikant(en) | 1 |
| Ouderlingen(kerkrentmeesters) | 2 |
| Diakenen | 2 |
| Totaal | 8 |
§ 2.1 Verkiezing van ambtsdragers - algemeen Ordinantietekst (A) Ord. 3, art. 2. De verkiezingsregeling
1. De verkiezing wordt gehouden volgens een door de kerkenraad vast te stellen regeling. 2. Tot vaststelling of wijziging van deze regeling kan de kerkenraad overgaan met inachtneming van het bepaalde in ordinantie 4-7-2.
3. De kerkenraad bepaalt, na de leden van de gemeente er in gekend en er over gehoord te hebben, of alleen belijdende leden dan wel ook doopleden stemgerechtigd zijn en legt dit in de in lid 1 genoemde regeling vast. Om stemgerechtigd te zijn dienen doopleden de leeftijd van achttien jaar te hebben bereikt.
4. De kerkenraad kan in de regeling opnemen dat bij volmacht kan worden gestemd, met dien verstande dat niemand meer dan twee gevolmachtigde stemmen kan uitbrengen en alleen stemgerechtigde leden gevolmachtigde stemmen kunnen uitbrengen.
Generale regeling gastlidmaatschap (A) Art. 6 Rechten van gastleden
…
4. Gastleden kunnen lid zijn van kerkenraadscommissies en organen van bijstand van ambtelijke vergaderingen. Alleen indien de in ordinantie 3-2 bedoelde verkiezingsregeling van de gemeente daarin expliciet voorziet, hebben zij het passief en actief kiesrecht. Zij kunnen niet worden afgevaardigd naar een meerdere vergadering.
§ 2.1 Verkiezing van ambtsdragers - algemeenArtikelen plaatselijke regeling
2.1.1. Stemrecht De belijdende leden zijn stemgerechtigd. Tevens zijn de doopleden, die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, stemgerechtigd.Gastleden worden in dezen gelijkgesteld met de leden.
2.1.2. Regels voor het stemmen a. De stemming geschiedt schriftelijk.b. Staken de stemmen, dan vindt herstemming plaats.
2.1.3. Stemmen bij volmacht Er kan bij volmacht worden gestemd, met dien verstande dat niemand meer dan twee gevolmachtigde stemmen kan uitbrengen en alleen stemgerechtigde leden gevolmachtigde stemmen kunnen uitbrengen.De volmachten zijn schriftelijk en ondertekend en worden van tevoren aan de wijkkerkenraad getoond.
§ 2.2. Verkiezing van ouderlingen en diakenen Ordinantietekst (A)
Ord. 3, art. 6. De verkiezing van ouderlingen en diakenen
1. De verkiezing van ouderlingen en diakenen geschiedt uit de stemgerechtigde leden van de (wijk)gemeente. Slechts per geval en na instemming van het breed moderamen van de classicale vergadering kan de kerkenraad een stemgerechtigd lid van een andere (wijk)gemeente kandidaat stellen met het oog op de verkiezing tot ouderling of diaken.
2. De kandidaatstelling met het oog op de verkiezing geschiedt door de kerkenraad.
3. Voorafgaande aan de kandidaatstelling wordt de gemeente uitgenodigd schriftelijk en ondertekend bij de kerkenraad aanbevelingen in te dienen van personen die naar haar mening voor verkiezing in aanmerking komen.
Aanbevelingen van personen die naar de mening van gemeenteleden voor verkiezing in aanmerking komen, gaan vergezeld van een vermelding bij elke aanbevolene van het ambt waarvoor de aanbevolene in aanmerking komt.
4. De kerkenraad maakt voor elk ambt waarin een vacature is of zal ontstaan een verkiezingslijst op met daarop de namen van hen
- die door tien of meer stemgerechtigde gemeenteleden voor dat ambt zijn aanbevolen
- die door de kerkenraad zelf voor het ambt worden voorgedragen.
Doopleden worden eerst op de verkiezingslijst opgenomen, nadat de kerkenraad zich ervan vergewist heeft, met inachtneming van ordinantie 9-4-1 en 2, dat zij onder de belijdende leden kunnen worden opgenomen.
5. Indien de verkiezingslijst meer namen telt dan het aantal vacatures voor dat ambt, vindt verkiezing plaats door de stemgerechtigde leden van de gemeente. Indien het aantal kandidaten niet groter is dan het aantal vacatures, worden de kandidaten verkozen verklaard.
6. De stemgerechtigde leden van de (wijk)gemeente kunnen - telkens voor een periode van ten hoogste zes jaren - de kerkenraad machtigen om, na kennisneming van de ingekomen aanbevelingen voor de verkiezing van ouderlingen en diakenen, voor elke vacature afzonderlijk een dubbeltal vast te stellen, waaruit de verkiezing door de stemgerechtigde leden van de (wijk)gemeente plaatsvindt.
7. In afwijking van het bepaalde in dit artikel geschiedt in een gemeente met wijkgemeenten de verkiezing van ouderlingen en diakenen met een bepaalde opdracht ten behoeve van de gemeente in haar geheel, door de algemene kerkenraad uit de stemgerechtigde leden van de gemeente, nadat de leden van de gemeente in de gelegenheid zijn gesteld personen aan te bevelen die naar hun mening voor verkiezing in aanmerking komen. Zij maken als boventallig lid deel uit van de algemene kerkenraad. Zij kunnen tevens, op verzoek van de wijkkerkenraad van de wijkgemeente waartoe zij behoren, deel uitmaken van die wijkkerkenraad.
8. De kerkenraad maakt de namen van hen die gekozen zijn, aan de gemeente bekend om haar goedkeuring te verkrijgen met het oog op hun bevestiging.
9. Bezwaren tegen de gevolgde verkiezingsprocedure of tegen de bevestiging van een gekozene kunnen worden ingebracht door stemgerechtigde leden van de gemeente en dienen uiterlijk één week na deze bekendmaking schriftelijk en ondertekend bij de kerkenraad te worden ingediend.
10. De kerkenraad zendt het bezwaarschrift binnen veertien dagen - onverminderd zijn verantwoordelijkheid te proberen zelf het bezwaar weg te nemen - indien het gaat om een bezwaar tegen de gevolgde verkiezingsprocedure, door naar het regionale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen en, indien het gaat om een bezwaar tegen de bevestiging van de gekozene, naar het regionale college voor het opzicht. Het regionale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen doet terzake een einduitspraak. Het regionale college voor het opzicht doet, indien het de bezwaren ongegrond verklaart, een einduitspraak. Tegen de uitspraak van het regionale college voor het opzicht om de bezwaren gegrond te verklaren is beroep mogelijk.
11. Indien geen bezwaren zijn ingebracht of de ingebrachte bezwaren ongegrond zijn bevonden, vindt - met inachtneming van het in ordinantie 9-5-4 bepaalde - de bevestiging plaats in een kerkdienst met gebruikmaking van een daarvoor bestemde orde. De bevestiging kan onder handoplegging geschieden.
§ 2.2. Verkiezing van ouderlingen en diakenen Artikelen plaatselijke regeling
2.2 Verkiezing van ouderlingen en diakenenBelijdende leden van de PKA-O en ingeschreven gastleden kunnen gekozen worden als ouderling, ouderling-kerkrentmeester of diaken. Doopleden kunnen ook gekozen worden, maar dan dienen zij voor of tijdens hun bevestiging als ambtsdrager belijdenis af te leggen.
2.2.1 Kandidaatstelling.Ouderlingen(kerkrentmeesters) en diakenen worden kandidaat gesteld door de wijkkerkenraad op voordracht van de wijkkerkenraad zelf of van een sectieteam of op aanbeveling van tien of meer stemgerechtigde gemeenteleden (zie ord. 3).
2.2.2 Verkiezing.
Indien het aantal voorgedragen kandidaten minder is dan het aantal vacatures, worden deze voor verkozen verklaard. Hetzelfde geldt als er slechts één kandidaat voor een vacature is.
Ord. 3-7 De ambtstermijn van ouderlingen en diakenen
1. De ambtstermijn van ouderlingen en diakenen is vier jaar. Zij zijn eenmaal terstond als ambtsdrager herkiesbaar. De kerkenraad kan hiervan slechts per geval in bijzondere omstandigheden afwijken na instemming van het breed moderamen van de classicale vergadering. 2. Zij die niet terstond herkiesbaar zijn, zijn eerst na afloop van een tijdvak van elf maanden na de datum waarop hun ambtstermijn volgens het rooster van aftreden verstreken is, verkiesbaar.
3. Indien een ambtsdrager is afgevaardigd naar een meerdere vergadering of als ambtsdrager zitting heeft in een regionaal of generaal college, kan de kerkenraad de ambtstermijn verlengen tot het einde van de termijn waarvoor deze als afgevaardigde is aangewezen of als lid is benoemd.
4. De kerkenraad stelt voor de ouderlingen en de diakenen een rooster van aftreden vast. Wanneer het gaat om de vervulling van een tussentijds ontstane vacature, handelt de kerkenraad met betrekking tot de datum van aftreden naar bevind van zaken.5. Aftredende ambtsdragers houden zo mogelijk in de kerkenraad zitting tot hun opvolgers zijn bevestigd, doch in elk geval niet langer dan zes maanden na de datum waarop hun ambtstermijn volgens het rooster van aftreden verstreken is.6. In de plaatselijke regeling voor de verkiezing van ambtsdragers wordt vastgesteld in welke maand de verkiezing van ouderlingen en diakenen wordt gehouden.
2.2.4 Tijdstip.De verkiezing van ouderlingen(kerkrentmeesters) en diakenen vindt zo mogelijk eens per jaar plaats in de maand mei, op basis van een rooster van aftreden (ord. 3-7-6).
§ 2.3 Verkiezing van predikanten
Ordinantietekst (A)
Ord. 3, art. 4. De verkiezing van predikanten
1. Voor de verkiezing tot predikant van een gemeente komen in aanmerking zij die in de Protestantse Kerk in Nederland tot het ambt van predikant beroepbaar zijn.
2. Predikanten voor gewone werkzaamheden zijn pas beroepbaar wanneer zij ten minste vier jaar de gemeente waaraan zij verbonden zijn, hebben gediend. Afwijking hiervan is slechts mogelijk met instemming van het breed moderamen van de classicale vergadering van de classis waartoe de gemeente behoort waaraan de betrokken predikant verbonden is.
3. Een predikant kan niet binnen twee jaar voor de tweede maal worden beroepen in dezelfde vacature.
4. De kandidaatstelling met het oog op de verkiezing geschiedt door de kerkenraad. De kerkenraad van een wijkgemeente verricht de kandidaatstelling tezamen met de algemene kerkenraad in een gezamenlijke vergadering, waarbij elke van beide kerkenraden met de kandidatuur dient in te stemmen.
5. De verkiezing van een predikant vindt plaats in een door de kerkenraad belegde vergadering van de stemgerechtigde leden van de gemeente. Gaat het om de verkiezing van een predikant die als predikant voor gewone werkzaamheden verbonden zal worden aan een wijkgemeente, dan geschiedt de verkiezing door de stemgerechtigde leden van de wijkgemeente.
6. Voor het geval dat de kerkenraad één kandidaat ter verkiezing aan de gemeente voorstelt, is een meerderheid van twee derde van de uitgebrachte geldige stemmen vereist om deze gekozen te kunnen verklaren.
7. In een gemeente met meer dan 200 stemgerechtigde leden kan - met medewerking en goedvinden van het breed moderamen van de classicale vergadering - in de in artikel 2-1 bedoelde regeling worden bepaald dat in afwijking van het in lid 5 voorgeschrevene de verkiezing van de predikant geschiedt door de kerkenraad.
8. In afwijking van het bepaalde in dit artikel geschiedt in een gemeente met wijkgemeenten de verkiezing van een predikant met een bepaalde opdracht ten behoeve van de gemeente in haar geheel die niet tevens aan een wijkgemeente verbonden wordt, door de algemene kerkenraad. Deze predikant maakt als boventallig lid deel uit van de algemene kerkenraad.
9.De kerkenraad maakt de naam van de gekozene aan de gemeente bekend om haar goedkeuring te verkrijgen met het oog op de beroeping.
10.Bezwaren tegen de gevolgde verkiezingsprocedure kunnen worden ingebracht door stemgerechtigde leden van de gemeente en dienen uiterlijk één week na deze bekendmaking schriftelijk en ondertekend bij de kerkenraad te worden ingediend.
11.De kerkenraad zendt het bezwaarschrift binnen veertien dagen - onverminderd zijn verantwoordelijkheid te proberen zelf het bezwaar weg te nemen - door naar het regionale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen, dat terzake een einduitspraak doet.
§ 2.3 Verkiezing van predikantenArtikelen plaatselijke regeling
2.3 Verkiezing van predikanten
In afwijking van het bepaalde in Ord. 3-4-5 worden predikanten voor gewone werkzaamheden verkozen door de wijkkerkenraad in overeenstemming met de algemene plaatselijke regeling van de PKA.
§ 3. De werkwijze van de wijkkerkenraad Ordinantietekst (A)
Ord. 4, art. 8. Werkwijze
1. De kerkenraad komt ten minste zes maal per jaar bijeen. 2. De kerkenraad kiest jaarlijks uit zijn midden een moderamen bestaande uit ten minste een preses, een scriba en een assessor. In het moderamen hebben ten minste een predikant, een ouderling, een ouderling-kerkrentmeester en een diaken zitting. Indien de kerkenraad minder dan twaalf leden telt, hebben in het moderamen ten minste een predikant, een ouderling of een ouderling-kerkrentmeester en een diaken zitting.
3. Het moderamen heeft tot taak het voorbereiden, samenroepen en leiden van de bijeenkomsten van de kerkenraad, de uitvoering van die besluiten van de kerkenraad waarvoor geen anderen aangewezen zijn, en voorts, onder verantwoording aan de kerkenraad, het afdoen van zaken van formele en administratieve aard en van zaken die geen uitstel gedogen. 4. De kerkenraad kan zich in zijn arbeid laten bijstaan door commissies die door hem worden ingesteld en die werken in opdracht van, onder verantwoordelijkheid van en in verantwoording aan de kerkenraad.
5. De kerkenraad stelt telkens voor een periode van vier jaar een beleidsplan op, na daarover overleg gepleegd te hebben met het college van kerkrentmeesters, het college van diakenen en met alle daarvoor in aanmerking komende organen van de gemeente.
Elk jaar pleegt de kerkenraad met dezelfde colleges en organen overleg over eventuele wijziging van het beleidsplan.
Nadat de kerkenraad het beleidsplan of een wijziging daarvan voorlopig heeft vastgesteld, wordt dit in de gemeente gepubliceerd. De kerkenraad stelt de leden van de gemeente in de gelegenheid hun mening over het beleidsplan of de wijziging kenbaar te maken. Daarna stelt de kerkenraad het beleidsplan of de wijziging vast.
6. De kerkenraad maakt een regeling voor zijn wijze van werken, waarin in ieder geval wordt geregeld:
het bijeenroepen van zijn vergaderingen, de agendering, de wijze waarop de gemeente wordt gekend en gehoord, de toelating van niet-leden van de kerkenraad tot zijn vergaderingen en het beheer van zijn archieven.
7. De kerkenraad neemt geen besluiten tot het wijzigen van de gang van zaken in de gemeente ten aanzien van:
- het beantwoorden van de doopvragen door doopleden;
- het toelaten van doopleden tot het avondmaal;
- het verlenen van actief en passief kiesrecht aan doopleden;
- de wijze van de verkiezing van ambtsdragers;
- het zegenen van andere levensverbintenissen dan een huwelijk van man en vrouw;
en ter zake van:
- de aanduiding en de naam van de gemeente;
- het voortbestaan van de gemeente;
- het aangaan van een samenwerkingsverband met een andere gemeente;
- de plaats van samenkomst van de gemeente;
- het verwerven, ingrijpend verbouwen, afbreken, verkopen of op andere wijze vervreemden van een kerkgebouw;
zonder de leden van de gemeente daarin gekend en daarover gehoord te hebben.
Het kennen en horen dient in elk geval plaats te vinden in de vorm van een beraad in de gemeente indien het beraad in de desbetreffende ordinantie is voorgeschreven.
Ord. 4, art. 9.Wijkkerkenraden en algemene kerkenraad
…
4. De verdeling van de taken en bevoegdheden over enerzijds de algemene kerkenraad en anderzijds de wijkkerkenraden wordt aangegeven in een door de algemene kerkenraad in overleg met de wijkkerkenraden vast te stellen regeling, met dien verstande dat de taken en bevoegdheden van de wijkkerkenraden alles omvatten wat tot de taken en bevoegdheden van de kerkenraad behoort, met uitzondering van datgene wat nadrukkelijk wordt toevertrouwd aan de algemene kerkenraad, waaronder, voor zover in de orde van de kerk niet anders is bepaald:
§ 3. De werkwijze van de wijkkerkenraadArtikelen plaatselijke regeling
3.1 Vergaderingen.
3.1.1 Aantal vergaderingen. De wijkkerkenraad vergadert in de regel vier maal per jaar.
3.1.2 Voorbereiding van vergaderingen.De vergaderingen van de wijkkerkenraad en de kleine wijkkerkenraad worden tenminste 7 dagen van te voren bijeengeroepen door het moderamen, onder vermelding van de zaken, die aan de orde zullen komen (de agenda). Van de bijeenkomsten wordt van tevoren met vermelding van datum en aanvangstijd mededeling gedaan aan de gemeente.
3.1.3 Verslaglegging van vergaderingen.Van de vergaderingen wordt een schriftelijk verslag opgesteld, dat in de eerstvolgende vergadering door de (kleine) wijkkerkenraad wordt vastgesteld.
3.1.4 Verkiezing moderamen en kleine kerkenraad De in ord. 4.8.2. genoemde jaarlijkse verkiezing van het moderamen geschiedt in de eerste vergadering van het vergaderseizoen.
Ook de kleine kerkenraad wordt in deze vergadering verkozen door de kerkenraad.
3.1.5 Het kennen van de gemeente.In de gevallen dat de kerkorde voorschrijft, dat de kerkenraad de gemeente kent in een bepaalde zaak en haar daarover hoort belegt de wijkkerkenraad een bijeenkomst met de (betreffende) leden van de gemeente, die wordt § aangekondigd in het wijkblad, dat voorafgaande aan de bijeenkomst verschijnt dan wel in een ander gebruikelijk communicatiemedium, en § afgekondigd op tenminste twee zondagen, die aan de bijeenkomst voorafgaan.In deze berichtgeving vooraf maakt de wijkkerkenraad in het kort kenbaar over welke zaak hij de gemeente wil horen.
3.1.6 Openbaarheid van vergaderingen.
Tot de vergaderingen van de wijkkerkenraad worden wijkgemeenteleden en zij die met de gemeente verbonden zijn als toehoorder toegelaten, tenzij de wijkkerkenraad besluit een zaak in beslotenheid te behandelen. Daarnaast kan de wijkkerkenraad besluiten andere belangstellenden tot een bepaalde vergadering of een deel hiervan toe te laten.
3.1.7 Archief.
Het lopend archief van de wijkkerkenraad berust bij de scriba, met inachtneming van de verantwoordelijkheid van de het college van kerkrentmeesters voor de archieven van de gemeente uit hoofde van Ord. 11-2-7 sub g.
§ 4. Besluitvorming
A. Ordinantietekst
Ord. 4, art. 5 Besluitvorming
1. In alle kerkelijke lichamen worden besluiten steeds na gemeenschappelijk overleg en zo mogelijk met eenparige stemmen genomen.
Blijkt eenparigheid niet bereikbaar, dan wordt besloten met meerderheid van de uitgebrachte stemmen, waarbij blanco stemmen niet meetellen.
2. Stemming over zaken geschiedt mondeling tenzij om schriftelijke stemming wordt gevraagd. Staken de stemmen, dan vindt herstemming plaats. Staken de stemmen weer, dan is het voorstel verworpen. 3. Stemming over personen geschiedt schriftelijk.
Wanneer er niet meer kandidaten zijn dan er verkozen moeten worden, kan mondeling worden gestemd als niemand van de aanwezige leden tegen mondelinge stemming bezwaar maakt.
Indien één kandidaat wordt voorgesteld en de stemmen staken, vindt herstemming plaats. Staken de stemmen weer, dan is de kandidaat niet verkozen.
Indien er meer kandidaten zijn dan er verkozen moeten worden, zijn van hen verkozen diegenen op wie de meeste stemmen zijn uitgebracht en die de meerderheid van de uitgebrachte stemmen hebben behaald, tot het aantal vacatures dat vervuld moet worden.
Indien voor een vacature geen van de kandidaten een meerderheid heeft behaald, vindt een herstemming plaats tussen de twee kandidaten die de meeste stemmen behaalden.
Staken de stemmen, dan vindt herstemming plaats. Staken de stemmen weer, dan beslist het lot.
4. Geen besluiten kunnen worden genomen indien niet ten minste de helft van het aantal leden van het kerkelijk lichaam ter vergadering aanwezig is. Wanneer in een vergadering het quorum niet aanwezig is, kan ten aanzien van een op die vergadering ingediend voorstel een besluit worden genomen op een volgende vergadering die ten minste twee weken later wordt gehouden, ook wanneer dan het quorum niet aanwezig is.
§ 4. BesluitvormingArtikelen plaatselijke regeling
4.1 Quorum.Indien over een zaak een besluit moet worden genomen, kan dit slechts geschieden wanneer in de eerste bijeenkomst van de wijkkerkenraad en de kleine wijkkerkenraad tenminste de helft van de leden van elke sectie aanwezig is. In de volgende bijeenkomst, welke ten minste twee weken later plaatsvindt, kan het besluit worden genomen ongeacht het aantal aanwezige leden.
4.2 Stemmen.
Over personen wordt schriftelijk gestemd. Over zaken wordt mondeling gestemd, tenzij één van de aanwezige leden schriftelijke stemming verlangt. Bij staking van stemmen is het voorstel verworpen. Blanco stemmen tellen niet mee.
§ 5. De kerkdiensten Ordinantieteksten (A)
Ord. 5 artikel 1 De eredienst
…
3. Tijd, plaats en aantal van de kerkdiensten worden vastgesteld door de kerkenraad.
…
Ord. 6 artikel 2 De toelating tot de doop
…
4. De kerkenraad bepaalt of doopvragen door doopleden mogen worden beantwoord. De kerkenraad neemt een besluit tot wijziging van het beleid ter zake niet dan na de leden van de gemeente daarin gekend en daarover gehoord te hebben.
…
Ord. 7 artikel 2 De toelating tot het avondmaal
…
De kerkenraad bepaalt of alleen belijdende leden of ook doopleden aan het avondmaal kunnen deelnemen.
De kerkenraad neemt een beslissing tot wijziging van het beleid ten aanzien van de deelname aan het avondmaal niet dan na beraad in de gemeente, tot deelname waaraan de leden van de gemeente worden uitgenodigd.
…
Ord. 5 artikel 4 Andere levensverbintenissen 1. De kerkenraad kan –na beraad in de gemeente- besluiten dat ook andere levensverbintenissen van twee personen als een verbond van liefde en trouw voor Gods aangezicht kunnen worden gezegend.
§ 5. De kerkdienstenArtikelen plaatselijke regeling
5.1 Kerkdiensten: plaats en tijd.De kerkdiensten van de wijkgemeente worden volgens een vastgesteld rooster gehouden in de Elthetokerk en de Muiderkerk. De directe verantwoordelijkheid voor deze diensten is door de wijkkerkenraad aan de sectieteams gedelegeerd. Voor de voorgangers in deze diensten gelden de bepalingen uit ord. 5.5.
5.2 Beleid inzake kerkdiensten.Van belang is het beleid inzake:- het beantwoorden van de doopvragen door belijdende leden en doopleden;Het beleid inzake het beantwoorden van doopvragen door doopleden is gedelegeerd aan de sectieteams.- de uitnodiging tot deelname aan het avondmaal;In de wijkgemeente PKA-O worden zowel belijdende leden als doopleden uitgenodigd aan het avondmaal deel te nemen, evenals ieder die zich aangesproken voelt. Deelname door kinderen gebeurt onder verantwoordelijkheid van de ouders.- het zegenen van relaties.Het beleid inzake het zegenen van levensverbintenissen anders dan een huwelijk tussen man en vrouw is gedelegeerd aan de sectieteams.
§ 6.1. De vermogensrechtelijke aangelegenheden – kerkrentmeesterlijk Ordinantieteksten (A) Ord. 11, art. 4 Vermogensrechtelijke aangelegenheden van gemeenten met wijkgemeenten
1. Waar een gemeente wijkgemeenten heeft, dient in deze ordinantie in plaats van kerkenraad gelezen te worden algemene kerkenraad.
2. In een gemeente met wijkgemeenten vormen de kerkrentmeesters die lid zijn van een wijkkerkenraad tezamen met de andere kerkrentmeesters die benoemd zijn door de wijkkerkenraad, de wijkraad van kerkrentmeesters. De kerkrentmeesters die lid zijn van de algemene kerkenraad, vormen tezamen met de kerkrentmeesters die daartoe op gezamenlijke voordracht van de wijkraden van kerkrentmeesters door de algemene kerkenraad zijn benoemd, het college van kerkrentmeesters.
3. In overleg met de algemene kerkenraad kan het college van kerkrentmeesters, naast de zorg voor het kerkgebouw en de goede gang van zaken daarin tijdens de kerkdiensten, de verzorging van bepaalde vermogensrechtelijke aangelegenheden van de gemeente van niet-diaconale aard toevertrouwen aan de wijkraden van kerkrentmeesters. Een en ander geschiedt met inachtneming van het bepaalde in ordinantie 4-9-4. Ord. 11, art. 2 Het college van kerkrentmeesters
1. De ouderlingen die in het bijzonder zijn aangewezen tot kerkrentmeester vormen tezamen met de kerkrentmeesters als bedoeld in lid 3 het college van kerkrentmeesters.
2. Het college van kerkrentmeesters bestaat uit ten minste drie leden. De meerderheid van het college van kerkrentmeesters bestaat uit ouderlingen-kerkrentmeesters.
3. De kerkrentmeesters die geen ouderling zijn, worden door de kerkenraad uit de leden van de gemeente benoemd nadat hun namen zijn voorgedragen aan de gemeente om haar goedkeuring te verkrijgen. Zij kunnen in de gemeente niet tegelijkertijd een ambt dragen.
4. Ten aanzien van de kerkrentmeesters die geen ouderling zijn, is van overeenkomstige toepassing hetgeen voor ambtsdragers bepaald is ter zake van de zittingstijd, de mogelijkheid bezwaar te maken tegen de benoeming, het opzicht en de behandeling van bezwaren en geschillen.
5. Het college van kerkrentmeesters wijst uit zijn midden een voorzitter, een secretaris en een penningmeester aan. De voorzitter is een van de ouderlingen-kerkrentmeesters.
Het college van kerkrentmeesters draagt er zorg voor dat de boekhouding en het middelenbeheer niet in één hand zijn.
6. Indien aan de besluitvorming van het college van kerkrentmeesters minder dan drie leden deelnemen, is een besluit van het college slechts rechtsgeldig,
a. wanneer, bij deelname door twee kerkrentmeesters, één ambtsdrager, daartoe aangewezen door de kerkenraad, aan de besluitvorming heeft deelgenomen en
b. wanneer, bij deelname door één kerkrentmeester, twee ambtsdragers, daartoe aangewezen door de kerkenraad, aan de besluitvorming hebben deelgenomen.
7. Het college van kerkrentmeesters heeft tot taak:
a. het in overleg met en in verantwoording aan de kerkenraad scheppen en onderhouden van de materiële en financiële voorwaarden voor het leven en werken van de gemeente door:
- het meewerken aan de totstandkoming van het beleidsplan, de begroting en de jaarrekening van de gemeente overeenkomstig het bepaalde in ordinantie 4-7-1 en het bepaalde in de artikelen 6 en 7;
- het zorg dragen voor de geldwerving;
- het zorg dragen voor het beschikbaar zijn van ruimten voor de eredienst en de andere activiteiten van de gemeente;
en voorts
b. het beheren van de goederen van de gemeente;
c. het verzorgen van het, in het beleidsplan en de begroting geformuleerde, personeelsbeleid;d. het zorgdragen voor de arbeidsrechtelijke aangelegenheden van hen die krachtens arbeidsovereenkomst bij de gemeente werkzaam zijn op niet-diaconaal terrein;e. het fungeren als opdrachtgever van kosters en beheerders van gebouwen en ander beherend en administratief personeel dat op arbeidsovereenkomst in dienst van de gemeente werkzaam is; f. het bijhouden van de registers van de gemeente, het doopboek, het belijdenisboek en - indien aanwezig - het trouwboek;
g. het beheren van de archieven van de gemeente;
h. het beheren van de verzekeringspolissen.
Met het oog op deze taak kan de ouderling-kerkrentmeester worden vrijgesteld van
- het toerusten van de gemeente tot het vervullen van haar pastorale en missionaire roeping en
- de herderlijke zorg.
8. Het college van kerkrentmeesters blijft bij het beheren van en beschikken over de aan hem toevertrouwde vermogenrechtelijke aangelegenheden van de gemeente binnen de grenzen van het door de kerkenraad vastgestelde beleidsplan en van de door de kerkenraad vastgestelde begroting.
9. De volgende rechtshandelingen behoeven vooraf de instemming van de kerkenraad:
- het verkrijgen, bouwen, ingrijpend verbouwen, uitbreiden of restaureren, verhuren, bezwaren, verkopen of op andere wijze vervreemden en afbreken van een gebouw of een orgel, beide in gebruik ten behoeve van de eredienst of anderszins van belang voor het leven en werken van de gemeente;
- het aangaan van verplichtingen waarin niet bij vastgestelde begroting is voorzien;
- het aanvaarden van erfstellingen of schenkingen onder last of voorwaarde;
- het oprichten van of deelnemen aan een stichting;
§ 6.1. De vermogensrechtelijke aangelegenheden – kerkrentmeesterlijkArtikelen plaatselijke regeling
6.1.1. De wijkraad van kerkrentmeesters bestaat uit 5 leden.
6.1.2. Van de 5 kerkrentmeesters zijn er minimaal 3 ouderling. De overige 2 zijn geen ouderling.
6.1.3. De wijkraad van kerkrentmeesters wijst uit zijn midden een administrerend kerkrentmeester aan, die belast wordt met de boekhouding van de wijkraad.
6.1.4. De wijkraad van kerkrentmeesters wijst uit zijn midden een wijkpenningmeester aan.
6.1.5 De PKAO-wijkkerkenraad en de wijkraad van kerkrentmeesters hebben schriftelijk vastgelegd wat de onderlinge afspraken zijn met en tussen de secties over de uitvoering van taken, het overleg daarover en de verantwoording naar hogere organen.
§ 6.2. De vermogensrechtelijke aangelegenheden – diaconaal Ordinantieteksten (A)
Ord. 11- 4. Vermogensrechtelijke aangelegenheden van gemeenten met wijkgemeenten
…
4. In een gemeente met wijkgemeenten vormen de diakenen die lid zijn van een wijkkerkenraad, de wijkraad van diakenen. De diakenen die lid zijn van de algemene kerkenraad, vormen tezamen met de diakenen die daartoe op gezamenlijke voordracht van de wijkraden van diakenen door de algemene kerkenraad zijn benoemd, het college van diakenen.
5. In overleg met de algemene kerkenraad kan het college van diakenen de verzorging van bepaalde vermogensrechtelijke aangelegenheden van de gemeente van diaconale aard toevertrouwen aan de wijkraden van diakenen. Een en ander geschiedt met inachtneming van het bepaalde in ordinantie 4-9-4.
…
Ord. 11, art. 3. Het college van diakenen
1. De diakenen vormen tezamen het college van diakenen. Het college van diakenen bestaat uit ten minste drie leden. 2. Het college van diakenen wijst uit zijn midden een voorzitter, een secretaris en een penningmeester aan. Het college van diakenen draagt er zorg voor dat de boekhouding en het middelenbeheer niet in één hand zijn.
3. Indien aan de besluitvorming van het college van diakenen minder dan drie leden deelnemen, is een besluit van het college slechts rechtsgeldig,
a. wanneer, bij deelname door twee diakenen, één ambtsdrager, daartoe aangewezen door de kerkenraad, aan de besluitvorming heeft deelgenomen en
b. wanneer, bij deelname door één diaken, twee ambtsdragers, daartoe aangewezen door de kerkenraad, aan de besluitvorming hebben deelgenomen.
4. Het college van diakenen heeft tot taak: a. het in overleg met en in verantwoording aan de kerkenraad scheppen en onderhouden van de materiële en financiële voorwaarden voor de door de gemeente te verrichten diaconale dienst door:
- het meewerken aan de totstandkoming van het beleidsplan, de diaconale begroting en de diaconale jaarrekening overeenkomstig het bepaalde in ordinantie 4-7-1 en het bepaalde in de artikelen 6 en 7;
- het zorg dragen voor de geldwerving ten behoeve van de diaconale arbeid van de gemeente;
en voorts
b. het beheren van de goederen van de diaconie;
c. het verzorgen van het, in het beleidsplan en de diaconale begroting geformuleerde, personeelsbeleid;
d. het zorgdragen voor de arbeidsrechtelijke aangelegenheden van hen die krachtens arbeidsovereenkomst bij de diaconie werkzaam zijn; e. het fungeren als opdrachtgever van hen die op arbeidsovereenkomst in de gemeente op diaconaal terrein werkzaam zijn;
f. het beheren van verzekeringspolissen.
5. Het college van diakenen blijft bij het beheren van en beschikken over de aan hem toevertrouwde vermogensrechtelijke aangelegenheden binnen de grenzen van het door de kerkenraad vastgestelde beleidsplan en de door de kerkenraad vastgestelde begroting.
6. De volgende rechtshandelingen behoeven vooraf de instemming van de kerkenraad:
- het aangaan van verplichtingen waarin niet bij vastgestelde begroting is voorzien;
- het aanvaarden van erfstellingen of schenkingen onder last of voorwaarde;
- het oprichten van of deelnemen aan een stichting;
- het voeren van processen voor de overheidsrechter en het aangaan van overeenkomsten om geschillen op een andere wijze tot een oplossing te brengen. 7. Het college van diakenen is bevoegd diaconale steun te verlenen aan personen, organen, kassen, fondsen, instellingen en rechtspersonen in binnen- en buitenland.
Uitsluitend in zeer bijzondere gevallen, zulks ter beoordeling van het regionale college voor de behandeling van beheerszaken en nadat ter zake toestemming is verkregen van dit college, kan het college van diakenen besluiten diaconale gelden beschikbaar te stellen voor niet-diaconaal werk van de gemeente.
8. De kerkenraad neemt alleen in overleg met het college van diakenen beslissingen waaraan voor de diaconie van de gemeente financiële gevolgen verbonden zijn welke niet bij vastgestelde begroting zijn voorzien.
§ 6.2. De vermogensrechtelijke aangelegenheden – diaconaalArtikelen plaatselijke regeling
6.2.1. De wijkraad van diakenen bestaat uit 5 leden.
6.2.2. De wijkraad van diakenen wijst uit zijn midden een administrerend diaken aan, die belast wordt met de boekhouding van de wijkraad.
6.2.3. De wijkraad van diakenen wijst uit zijn midden een wijkpenningmeester aan.
6.2.4 De PKAO-wijkraad en de wijkraad van diakenen hebben schriftelijk vastgelegdwat de onderlinge afspraken zijn met en tussen de secties over de uitvoering van taken, het overleg daarover en de verantwoording naar hogere organen.
§ 6.3. De vermogensrechtelijke aangelegenheden – algemeen Ordinantieteksten (A)
Ord. 11, art. 6. De begrotingen en het collecterooster
1. Elk jaar plegen het college van kerkrentmeesters en het college van diakenen met de kerkenraad en met alle daarvoor in aanmerking komende organen van de gemeente overleg over de in samenhang met het door de kerkenraad vastgestelde beleidsplan op te stellen begrotingen en het collecterooster van het komende kalenderjaar.
2. Vóór 1 november dienen het college van kerkrentmeesters en het college van diakenen hun ontwerpbegrotingen bij de kerkenraad in, vergezeld van een door hen in onderling overleg opgesteld gemeenschappelijk ontwerpcollecterooster.
3. Indien de kerkenraad wijzigingen wil aanbrengen in de ontwerpbegrotingen overlegt hij met het betrokken college over de voorgenomen wijziging. Indien over de wijziging geen overeenstemming wordt verkregen, vraagt de kerkenraad bemiddeling van het regionale college voor de behandeling van beheerszaken. Eerst na bemiddeling van het regionale college neemt de kerkenraad een definitief besluit.
4. Nadat de kerkenraad de begrotingen voorlopig heeft vastgesteld, worden deze in samenvatting in de gemeente gepubliceerd en tevens gedurende een week in haar geheel voor de leden van de gemeente ter inzage gelegd. De kerkenraad stelt de leden van de gemeente in de gelegenheid hun mening over de begrotingen kenbaar te maken op de wijze die in de regeling voor de wijze van werken van de kerkenraad is aangegeven. Daarna stelt de kerkenraad de begrotingen en het collecterooster vast.
5. Indien een kerkenraad wijzigingen wil aanbrengen in de vastgestelde begroting is het bepaalde in lid 3 en 4 van overeenkomstige toepassing. Ord. 11, art. 7. De jaarrekeningen
1. Het college van kerkrentmeesters en het college van diakenen leggen elk jaar vóór 1 mei hun ontwerpjaarrekeningen over het laatstverlopen kalenderjaar aan de kerkenraad voor.
2. Deze jaarrekeningen worden in haar geheel of in samenvatting in de gemeente gepubliceerd en tevens gedurende een week in haar geheel voor de leden van de gemeente ter inzage gelegd. De kerkenraad stelt de leden van de gemeente in de gelegenheid hun mening over de jaarrekeningen kenbaar te maken. op de wijze die in de regeling voor de wijze van werken van de kerkenraad is aangegeven.
3. Daarna stelt de kerkenraad de jaarrekeningen vast, hetgeen strekt tot decharge van de kerkrentmeesters respectievelijk de diakenen inzake het door hen gevoerde beheer, tenzij de kerkenraad een voorbehoud maakt, of het regionale college voor de behandeling van beheerszaken nader overleg wenst.
4. Elk jaar wordt vóór de vaststelling van de jaarrekeningen de financiële administratie van de gemeente en van de diaconie gecontroleerd door een door de kerkenraad aan te wijzen certificerend accountant of twee andere onafhankelijke deskundigen.
§ 6.3. De vermogensrechtelijke aangelegenheden – algemeen
Artikelen plaatselijke regeling
6.3.1. Vóór 15 september maken de wijkkerkenraden na overleg met de wijkraden van kerkrentmeesters en diakenen de wensen en aandachtspunten van de wijkgemeenten voor de begroting voor het komende jaar kenbaar aan de algemene kerkenraad, met afschrift aan het college van kerkrentmeesters c.q. diakenen.
6.3.2. Vóór 1 februari maken de wijkkerkenraden na overleg met de wijkraden van kerkrentmeesters en diakenen de specifieke cijfers van de wijkgemeenten voor de jaarrekening over het afgelopen jaar kenbaar aan de algemene kerkenraad, met afschrift aan het college van kerkrentmeesters c.q. diakenen.
6.3.3. Het in de gelegenheid stellen van wijkgemeenteleden hun mening kenbaar te maken over wijkbegroting en wijkjaarrekening. Voor de vaststelling dan wel wijziging van de wijkbegroting en voor de vaststelling van de wijkjaarrekening worden deze stukken in samenvatting gepubliceerd in het kerkblad.De volledige stukken kunnen gedurende een week worden ingezien. Bij de publicatie worden tijd en plaats vermeld.
Reacties kunnen tot drie dagen na het einde van de periode van terinzagelegging worden gestuurd aan de scriba van de wijkkerkenraad.
Ondertekening Aldus te ………… (plaatsnaam) vastgesteld in de vergadering van de kerkenraad van … (datum)
…………………………, preses …………………………, scriba